De opkomst van de elektrische gitaar. Een halve eeuw
groeiende populariteit (1920-1970).
Deze catalogus wordt momenteel aangepast in functie van een volgende tentoonstelling.
De opkomst van de elektrische gitaar.
|
Met de opkomst van de elektrische gitaar als leidraad maken we een reis door de fascinerende wereld van de tokkelinstrumenten tussen 1920 en 1970. Gedurende deze periode werd gezocht naar een groter geluidsvolume voor de gitaar en stak dit instrument de banjo, ukulele en mandoline voorbij in populariteit. De belangrijkste ontwikkelingen speelden zich in Amerika af, met Chicago als centrum, zowel op muzikaal gebied, als wat produktie en distributie van populaire gitaren betreft.
|
1. De evolutie van de gitaar door de eeuwen heen.
|
Van een klein vierkorig instrument, dus met acht snaren, evolueert de gitaar vanaf de zeventiende eeuw naar de iets grotere vijfkorige barokgitaar. Deze blijft vrijwel onveranderd voortbestaan tot in de tweede helft van de achttiende eeuw. Dan worden de koren "ontdubbeld" en komt er een zesde lager gestemde naar bij. De moderne gitaar is geboren.
|
Vijfkorige barokgitaar naar een 18de-eeuws instrument door Deleplanque.
|
Vanaf ca. 1575 gedrukte muziek waaruit toevoeging van een vijfde koor blijkt. Geen standaard stemming. Vijfkorig.
In beginsel gestemd volgens e1-b-g-d1-a,Uit de zeventiende eeuw is veel in iconografie aanwezig, o.m. VermeerMeer muziek gedrukt voor gitaar dan voor luit en klavecimbel. Populair in Frankrijk, Spanje, Italië, maar ook Duitsland (Tielke). Dunne bovenbladen (1 à 2 mm) in zachthout ceder, vuren...Rozet meestal uit perkament of zoals hier uit leder (luit uit hout gesneden). Na 1750 Langere hals. 12de fret (octaaffret gelijk met begin v.d. klankkast. Vanaf ca 1760: Spanje zeskorige gitaren. Enkelvoudige besnaring en 6 snaren (toevoeging van lage E), vanaf ca. 1770 Spanje, ca. 1785 Frankrijk (Deleplanque), en na 1788 Duitsland Weimar, Jacob Augustus Otto. De moderne stemming E-A-d-g-b-e' ontstaat. |
"Romantische" gitaar, Anoniem,
|
Gitaren uit de negentiende eeuw worden over het algemeen 'romantisch' genoemd omdat ze grotendeels tot het aldus genoemde artistieke tijdperk behoren. Tegen het einde van de achttiende eeuw was de vijfkorige gitaar geëvolueerd tot een zessnarig instrument met een aparte toets en houten stempinnen in een platte kop. In eerste instantie blijft men dergelijk simpel systeem voor de stemsleutels gebruiken, evenals laddervormige bebalking. De belangrijkste centra waren Parijs en Wenen, hoewel fabrikanten als Fabbricatore in Italië en Panormo in Engeland een grote bijdrage leverden aan de ontwikkeling van dit populaire instrument. De hier gepresenteerde gitaar, met zijn "moustache" brug en zijn gitaarvormige kop, is vrijwel identiek aan de gitaar die bewaard wordt in het James Joyce Museum in Dublin en die toebehoorde aan deze beroemde Ierse schrijver.
|
|
|
Na 1850 perfectioneerde de Spanjaard Antonio de Torres Jurado (1817-1892) de salongitaar door een waaiervormige bebalking en een bredere klankkast te introduceren. Francisco Tárrega (1852-1909), de belangrijkste gitarist van de tweede helft van de negentiende eeuw, speelde op een Torres-gitaar.
|
2. De geboorte van de "klassieke" gitaar
|
Na 1850 perfectioneerde de Spanjaard Antonio de Torres Jurado (1817-1892) de salongitaar door een waaiervormige bebalking en een bredere klankkast te introduceren. Francisco Tárrega (1852-1909), de belangrijkste gitarist van de tweede helft van de negentiende eeuw, speelde op een Torres-gitaar.
|
4. De banjo's
|
Afrikaanse slaven brachten instrumenten mee waaruit later in Amerika de banjo zou ontstaan. Onder invloed van de gitaar neemt het aantal snaren toe en wordt de hals voorzien van frets. In de jaren twintig was de viersnarige tenorbanjo erg populair bij jazzorkesten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam het patriottisme in allerlei industrieën tot uiting. De folkrevival van de jaren vijftig en vooral de jaren zestig leidde tot een renaissance van de banjo.
|
Anonieme 7-snarige Engelse "Zither" banjo, ca. 1915.
|
In 1869 patenteerde de Londense banjomaker William Temlett een 7-snarige banjo die hij een "zither banjo" noemde. Later werd dit type banjo erg populair in Groot-Brittannië en had het 6 of 7 snaren en een "hangend klankbord". Het vel werd namelijk bevestigd in een metalen ring die aan de bovenkant van de houten ring was bevestigd. De resonator aan de achterkant zorgde ervoor dat het geluid van de banjo naar de voorkant van het instrument werd geprojecteerd. Dit verhoogde het volume en de "sustain" van het instrument en maakte fingerpicking haalbaar in concertomgevingen. De "zither banjo" werd in het laatste kwart van de negentiende eeuw in de Verenigde Staten op de markt geintroduceerd door Alfred D. Cammeyer.
|
Supertone tenorbanjo model "Tango" uitgerust met een Ferry "E-Z player", Chicago ca. 1925.
|
Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog verloor de mandoline zijn populariteit ten gunste van de banjo, die zijn rol zou spelen in de vroege jazzbands. Het nieuwe instrument lag qua speeltechniek dicht bij de mandoline: een viersnarige banjo gestemd in kwinten, met een min of meer korte hals, bespeeld met een plectrum zoals de mandoline: de tenorbanjo was geboren. De naam "Supertone" werd in 1914 gekozen door het grote postorderbedrijf Sears and Roebuck in Chicago voor zijn lijn muziekinstrumenten. De Supertone tenorbanjo in deze collectie werd rond 1925 uitgerust met een "E-Z-speler van Ferry & Co in Chicago". Dit apparaat met klavier, gepatenteerd in 1921, zou niet-muzikanten in staat moeten stellen zonder enige kennis van muziek deuntjes en akkoorden op de banjo te spelen (zie verderop in deze tentoonstelling).
|
Kay tenorbanjo model "US patriot", Chicago ca. 1943.
|
Tijdens de Tweede Wereldoorlog daalde de produktie van instrumenten aanzienlijk. Het gebruik van metalen is beperkt en de arbeidskrachten zijn elders nodig. Deze tenorbanjo valt echter op door zijn patriotische decoratie. Dit model, gemaakt door Kay in de jaren 1940-45, heet dan ook "US Patriot", verwijzend naar de kopplaat ingelegd met de letters "U.S.", het merk "Kay" en een arend boven een Amerikaans wapenschild. Het was duidelijk ontworpen met de Amerikaanse patriot in gedachten, dus bijna iedereen in de Verenigde Staten op dat moment. Kay produceerde nog een variant op dit model, waarbij de kopplaat in bruin namaak wortelhout was uitgevoerd.
|
|
Bay State mandoline model "2 ½", Boston ca. 1900.
|
Bay State-gitaren en mandolines werden vervaardigd door de "John C. Haynes Company" in Boston. Haynes, een voormalig werknemer van Oliver Ditson, opende in 1864 een muziekwinkel onder zijn eigen naam en begon rond 1887 gitaren te bouwen. Het Haynes-atelier was van 1891 tot 1904 de produktieafdeling van Ditson & Co. Het succes van de mandoline rond 1900 wordt weerspiegeld in een artikel uit 1899 in de "Music Trade Review": "'Bay State-mandolines worden dit seizoen vrij verkocht in alle stijlen. De illustratie toont de nieuwe stijl nr. 2 uit 1899, met een palissanderhouten body, met negentien banden met witte strips ertussen. Het klankgat en de randen zijn versierd met fraai gekleurde houtinleg. De beschermplaat is van imitatie schildpad. De hals is van mahoniehout met een kopplaat in ebben fineer." Dit mooie exemplaar met het modelnummer "2 1/2" gegraveerd onder het "Bay State"-logo op de achterkant van de kop, heeft een rijk geluid dat concentreerd is rond de middentonen.
|
|
Mandocello, waarschijnlijk Kay, Chicago ca. 1935.
|
De mandocello of mandoloncello is een tokkelinstrument uit de mandolinefamilie. Hij heeft acht snaren in vier paren, gestemd in kwinten als bij een gewone mandoline, maar hij is groter en is "CC GG dd aa" gestemd zoals een cello, of soms ook "AA DD GG cc". Vaak zijn de extra bassnaren een octaaf hoger, zoals op een 12-snarige gitaar gebruikelijk is. Net als de meeste andere instrumenten uit de mandolinefamilie is de mandocello in Europa ontwikkeld. Later, rond de eeuwwisseling, begon Gibson mandocello's te bouwen in de stijl van zijn mandolines met uitgehouwen boven- en onderblad maar vaak met een jazzgitaar-vormige klankkast. De mandocello werd tot ongeveer 1920 gebruikt in clubs en mandoline-ensembles, vaak kwartetten. Tegenwoordig speelt hij een rol in de volksmuziek, onder meer bluegrass en Keltische muziek.
|
Kaykraft tenorgitaar model "A", Chicago ca. 1930.
|
Na een geschil in 1927 over de lonen verlieten drie gitaarbouwers de fabriek van Lyon en Healy in Chicago en gingen werken voor Stromberg-Voisinet. Twee van hen, Giuseppe Zorzi en Philip Gabriel, zouden de zogenaamde "Venetiaanse" klankkast ontworpen hebben, die deel zal uitmaken van de identiteit van het bedrijf dat zichzelf later achtereenvolgens "Kaykraft" en Kay" zal noemen. Tussen 1929 en 1935 werden meerdere modellen gepresenteerd met de nieuwe contouren. Deze "A"-model tenorgitaar met mahoniehouten achter- en zijkanten en vurenhouten bovenblad, heeft een verstelbare mahonie hals en een "Venetiaanse" banjo-achtige kop met versierde witte "celluloid-overlay." Na het losdraaien van de grote vleugelmoer aan de binnenkant van het halsblok is het mogelijk om de hoogte van de snaren naar wens aan te passen.
|
Kumalae sopraan ukulele model "1" of "A",
|
Jonah Kumalae, geboren in 1874 in Hawaii, was politicus, zakenman, uitgever, muzikant en ukulelemaker. In 1915 won hij een Gold Award voor zijn ukulele op de Panama-Pacific International Exposition. Hij liet zijn ukuleles verkopen aan bedrijven in de rest van de Verenigde Staten en speelde aldus een belangrijke rol bij de introduktie van de nieuwe ukulele-mode en van de populariteit van Hawaiiaanse muziek. Kumalae was zeer produktief en produceerde op het hoogtepunt van zijn bedrijf tot 300 à 600 ukuleles per maand. Zijn instrumentjes waren gemaakt van Koa-hout. Hij had een beoordelingssysteem voor zijn ukuleles van OABCD tot E of van 0 tot 5.
Dit exemplaar is een "1" of "A", wat betekent dat het tweede klasse was. We vinden het "Gold Award"-logo, zoals op de kop van dit instrument, ook op de meeste ukuleles die hij tussen 1915 en zijn dood in 1940 vervaardigde. |
Sopraan ukulele
|
Het model "Le Domino" is ontworpen door James R. Stewart, een gitaarbouwer uit Chicago die begin jaren twintig nog voor de Harmony Company had gewerkt. In 1925 startte hij zijn eigen bedrijf met tokkelinstrumenten, en binnen een paar jaar had hij een patent op het unieke "Domino" ontwerp voor de rand van de kop. Na het faillissement van J.R. Stewart in 1930 nam Regal, ook in Chicago gevestigd, het bedrijf over, inclusief het "Le Domino"-model. Hoewel de geverfde body en hals van deze ukulele uit het goedkope berkenhout waren gemaakt , was de "Le Domino" een goed gebouwd instrument met een aantal stijlvolle accenten, onder meer een witte celluloid binding rond het bovenblad. Versierd met elegante kleine domino-logo's, straalt dit instrumentje charme en klasse uit. Elke domino op de toets heeft hetzelfde aantal stippen als de fret die hij markeert: een domino met drie stippen op de derde fret, een domino met vijf stippen op de vijfde, enzovoort.
|
Moderne versie van een Hawaiiaans gitaar door Herman Weissenborn, Los Angeles ca. 1916.
|
Misschien wel de belangrijkste figuur in de geschiedenis van de Hawaiiaanse gitaar was Joseph Kekuku (1874-1932), die een gepolijste metalen staafje begon te gebruiken op een staalsnaren-gitaar gestemd in een open akkoord, die plat op zijn knieën lag. Terwijl de meeste gitaristen deze nieuwe techniek aanvankelijk op normale gitaren gebruikten, werden de eerste speciaal daarvoor ontworpen "Hawaiiaanse" gitaren gemaakt door luthier Chris Knutsen. In 1916 had de Duitse gitaarbouwer Herman Weissenborn de produktie overgenomen en deze slaagde erin de kwaliteit van de instrumenten te verfijnen en op peil te houden. De combinatie van houtsoort, X-bebalking en holle hals leidde tot een van de eerste passen in de evolutie naar luidere gitaren, rond 1930 gevolgd door de ontwikkeling van resonatorgitaren en elektrische gitaren. Nadien geraakten de Weissenborn instrumenten en vervolgens ook de resonatorgitaren bij de beroemde spelers uit die tijd, zoals Sol Hoopii, buiten gebruik, en kwamen de elektrische Hawaiiaanse gitaren in zwang. Ironisch genoeg kwam er na Pearl Harbor in 1941 abrupt een einde aan de Amerikaanse rage voor Hawaiiaanse muziek. Maar vanaf de jaren zestig populariseerden beroemde muzikanten als David Lindley en Ben Harper een Weissenborn-gitaarrevival die tot op de dag van vandaag voortduurt.
|
Gitaar door de "Richter MFG Compagny" in Chicago ca. 1935.
|
De "Richter Manufacturing Co", opgericht door Charles F.L. Richter in 1920, was in de periode tussen de twee wereldoorlogen, naast Oscar Schmidt, Harmony, Regal en Kay een andere instrumentenfabriek in Chicago. Ze specialiseerden zich in goedkope gitaren met een klankkast van berkenhout en een hals van populierenhout, waarvan de meeste een bovenblad hadden dat versierd was met de "decals" die destijds erg populair waren. De jaren dertig lijken voor Richter de drukste periode te zijn geweest, met directe verkoop onder hun eigen merk en via distributeurs als Buckeye, Buegeleisen & Jacobson en de groothandel Montgomery Ward. De hier getoonde gitaar heeft de asymmetrische kop die de Richter gitaren kenmerkt. Het bovenblad, met simpele decoratie rond de rozet en de contouren, is versierd met een sierlijk Hawaiiaans hoelameisje dat ukelele speelt op een palmenstrand onder de ondergaande zon, iets om van te dromen. Dit instrument klinkt, hoe basaal het ook is uitgevoerd, net zo goed als elke toenmalige berkenhouten Stella of Regal: bluesy, maar erg luid.
|
"Del Oro" gitaar door Kay, Chicago, ca. 1937.
|
Deze "flattop" uit de Kay-fabrieken in Chicago is een typisch produkt uit de tijd dat iedereen een gitaar kon en wilde hebben. Goedkope materialen zoals berken voor de klankkast werden versierd met florale of geometrische elementen, of imitaties van inlegwerk in duurdere houtsoorten of andere materialen. Maar het waren vaak figuratieve taferelen met gondels, cowboys of, zoals hier, palmbomen en Hawaiiaanse rokjes. Deze eenvoudige onderwerpen waren bedoeld om de sfeer op te roepen waarin de gitaar zijn romantische en rustgevende functie kon vervullen. Hier brengt een man een serenade aan een lokale schoonheid op een exotisch strand. Het moest het goede leven op Hawaii en de destijds zo populaire Hawaiiaanse muziek symboliseren. "Del Oro" en, in mindere mate, "Vaquero", waren de merken die van de jaren 1920 tot de jaren 1950 werden gebruikt voor instrumenten die Kay maakte voor groothandel Spiegel. In Spiegel's postordercatalogus nr. 144, herfst/winter 1937, wordt deze gitaar, die 6,98 dollar kost, beschreven als "Moonlight at the beach in Waikiki, Dark Walnut finish". De "faux flame" walnoot achtergrond contrasteert goed met de groen en witte scène.
|
Hawaiiaanse elektrische Rickenbacker gitaar in bakeliet, model "B", Los Angeles ca. 1935.
|
In 1931 ontwikkelde George Beauchamp, die drie jaar eerder had meegewerkt aan de creatie van de resonatorgitaar, de eerste commercieel succesvolle elektrische gitaar: het Rickenbacker-model "A-22 Electro Hawaiian". Het was bovendien de eerste solidbody-gitaar, en ze werd bijgenaamd de "Frying Pan" vanwege haar vorm, De hoefijzervormige elektromagnetische pick-up, was gemonteerd op een gegoten aluminium frame afgewerkt met goudkleurig email. Deze klonk veel beter en luider dan het Stromberg-Voisinet-systeem dat in 1928 werd uitgebracht (zie verder in de tentoonstelling). Het elektrische geluid was nieuw en voor Hawaiiaanse muziek bleek het meer dan acceptabel voor het grote publiek. In 1935 werd het bakelieten model "B" met een meer conventionele omtrek geïntroduceerd. Het was minder gevoelig voor temperatuurveranderingen dan aluminium. Om het gewicht te verminderen zijn sommige onderdelen hol en bedekt met witte roestvrijstalen platen. Commercieel gezien was het het meest succesvolle muziekinstrument van Rickenbacker. De produktie eindigde in de jaren vijftig, maar het model is nog steeds in gebruik en zeer gewild.
|
Klassieke gitaar.
|
De geboorte van de klassieke gitaar luidde al de zoektocht in naar meer klankvolume in de daaropvolgende eeuw. Het verbeteren van de bebalking en het vergroten van de klankkast zijn voorbeelden van technieken om het geluid beter hoorbaar te maken voor een groter publiek. Het gebruik van darmsnaren, later nylon, en de waaiervormige versteviging van het bovenblad zijn de belangrijkste verschillen met de zogenaamde "folk"gitaar die later in de VS werd ontwikkeld, met zijn metalen snaren en X-vormige bebalking.
|
5. Geluidsopnames en de commerciële verspreiding ervan
|
Dankzij de grammofoon werden veel muziekstijlen verspreid, wat ook bijdroeg aan de populariteit van de gitaar en andere tokkelinstrumenten. Door het uitgeven van vinylplaten en handleidingen probeerde men het gitaarspel zo toegankelijk mogelijk te maken. De bouwers, muzikanten en uitgevers kregen allemaal waar voor hun geld.
|
Mechanische "Edison-Bell" grammofoonspeler, Londen ca. 1925-1930.
|
In 1877 ontwikkelde Thomas Edison een machine die niet alleen spraak kon opnemen, maar deze ook kon reproduceren. Tien jaar later introduceerde Emile Berliner, een Duitse immigrant in de Verenigde Staten, ronde schijven om geluid op te nemen. De handel in grammofoons begon te bloeien en in de jaren 1910 begon de produktie van de eerste draagbare apparaten. Vooral tijdens de Eerste Wereldoorlog wonnen ze aan populariteit en al snel verschenen de eerste jazzopnames en, vooral belangrijk voor de gitaar: opnames van bluesmuziek. Het kenmerkende geluid van de Chicago-blues uit het volgende decennium is te horen op de platen van zanger-gitaristen als Howlin' Wolf en Jimmy Reed. Hun muziek wordt verspreid door opkomende radiostations, met behulp van een nieuw fenomeen: de DJ. Hier hebben we een vintage opwindbare "Edison Bell" platendraaier met originele winder en zwarte "Rexine" koffer.
|
Opnamehoorn, ca. 1930.
|
Vroeger werden dit soort hoorns gebruikt om geluid mechanisch vast te leggen tijdens opnames. De muzikanten stonden of zaten vóór dit apparaat dat in een gat in de muur van de ruimte was gemonteerd. In een aangrenzende kamer werden de trillingen geregistreerd via opnamemachines, bediend door technici. Vanaf de jaren twintig opereerden platenmaatschappijen in de Verenigde Staten, bijvoorbeeld Gennett in Richmond, met dergelijke opnamestudio's. Gennett produceerde enkele van de vroege opnames van Louis Armstrong en King Oliver. Op zijn lijst stonden ook Blind Lemon Jefferson, Charley Patton en Gene Autry. Bekende platenlabels uit deze tijd waren Columbia Records, Decca Records, Edison Bell, Pathé, Paramount en Victor. De kwaliteit van de opnames was beperkt en zou pas verbeteren als er elektriciteit in het proces zou worden geïntroduceerd.
|
De vrouwen vallen voor de gitarist. |
Een terugkerend thema in promotieposters en advertenties is de populariteit van de gitaristen, vooral bij de dames. De gitaar is het instrument bij uitstek om gelukkig en succesvol te worden. Een bijkomend argument is dat het relatief goedkoop is. Aan de andere kant kun je beter kiezen voor kwaliteit. Gibson hanteert bijvoorbeeld graag de slogan: "Alleen een Gibson is goed genoeg".
|
2. Eender wie kan gitaar leren spelen!
|
Om niet-muzikanten, en dus potentiële kopers, te overtuigen, hebben producenten en uitgevers in de VS allerlei hulpmiddelen in het leven geroepen. Deze hadden tot doel de illusie te wekken dat iedereen een instrument kon bespelen, zelfs de grootste kluns op muzikaal gebied. Hier zijn enkele voorbeelden.
|
Keykord (Kaykraft) bariton ukulele, Chicago, ca. 1930.
|
In de jaren 1920 en 1930 werden allerlei educatieve apparaten geïntroduceerd door producenten en uitgevers. Klanten kregen daardoor de indruk dat ze een instrument konden leren bespelen, ook zonder talent. Zo werd de Keykord ontwikkeld door Stromberg-Voisinet (het latere Kay) uit Chicago, met onder een toetsenbord een ingewikkeld mechanisme voor het spelen van akkoorden. De begeleidende handleiding uit 1929 zegt: "the Keykord action removes the technical difficulty of playing these instruments" (de Keykord-actie neemt de technische moeilijkheden van het bespelen van deze instrumenten weg"). De Keykord-ukulele en -banjo zullen echter nooit goed verkopen. De lancering kwam immers op het verkeerde moment: de ukelele-rage was aan het afnemen en de beurskrach van 1929 luidde een crisisperiode van zeker tien jaar in. Bovendien bleek het ingewikkelde toetssysteem geen goed alternatief voor de ‘normale’ vingerzettingen van de echte ukulele.
|
"First Hawaiian Conservatory of Music" gitaar door Oscar Schmidt met akkoordenschema op de toets gelijmd, Chicago, ca. 1925.
|
Een ander didactisch hulpmiddel was de bedrukte strook papier die indien gewenst op de hals van de gitaar kon worden geplakt. De hier getoonde budgetgitaar, gemaakt door Oscar Schmidt, heeft een dergelijke papierstrook waarop de akkoorden worden aangeduid. Aan het einde van de toets staat een merknaam: "Pat. applied for Copyrighted 1917 by R A Wilkins". Het "First Hawaiian Conservatory of Music" (FHCM) is goed gedocumenteerd als postorder marketing tool voor de Oscar Schmidt Company. Als de kandidaat een contract tekende voor een jaar les, bood het bedrijf gratis zo'n gitaar aan, meestal met een berkenhouten body, oranjebruine sunburst-afwerking, laddervormige bebalking en een populierhouten hals. Deze was bedoeld voor de Hawaïaanse speelwijze, maar als ze in de normale positie wordt gespeeld, produceert ze een houtig, pittig geluid dat goed past bij blues. Onder meer bluesman Blind Willie Johnson is op een oude foto te zien met een dergelijke gitaar.
|
3. Groothandelaren en hun merken
|
Fabrikanten verkochten instrumenten onder hun eigen naam, maar meestal leverden ze aan distributiebedrijven die "wholesalers" of "jobbers" werden genoemd, zoals Sears en Montgomery Ward. Deze lieten meestal hun eigen merknaam of "huismerk" op de instrumenten aanbrengen. De bekendste zijn ongetwijfeld “Supertone” en “Silvertone”.
|
Wie heeft wat gemaakt? De ingewikkelde wereld van de grote producenten en van de "huismerken".
|
Groothandelaars en zelfs detailhandelaren vroegen fabrikanten om het merk van hun keuze op de geleverde instrumenten te zetten. De oorsprong kan alleen worden afgeleid op basis van de technische of esthetische kenmerken van elke werkplaats, zoals de vorm van de kop, de klankgaten, de snaarlengte, enzomeer. Om dit fenomeen te illustreren zijn hier de contouren van banjokoppen uit de jaren 1920 weergegeven. Elke fabrikant gebruikte één of meerdere patronen die kenmerkend waren voor zijn produkt. Vervolgens werd de merknaam die de distributeur had gekozen op het instrument aangebracht. Hier zien we ook banjokoppen gemaakt door Kay, maar allemaal voorzien van verschillende merknamen.
|
"Avalon" gitaar door Oscar Schmidt, Chicago, ca. 1930.
|
De concurrentie tussen fabrikanten van betaalbare instrumenten was hevig. De belangrijkste vóór 1940 waren Oscar Schmidt en Harmony, beiden gevestigd in Chicago. De grootste produktie-aantallen werden dan ook niet gehaald door de grote, bekende merken als Gibson en Martin, maar door de fabrikanten met het grootste distributienetwerk, waarvan het merendeel in Chicago was gevestigd. Instrumenten van Oscar Schmidt werden op grote schaal afgenomen door de grote verdelers. Eén van hen was Henry Stadlmair, een New Yorkse distributeur die ook de gitaren uit het atelier van Hermann Weissenborn verdeelde aan de oostkust van de Verenigde Staten. Terwijl zijn instrumenten soms het label "Stadlmair" op de kop droegen, werd de naam "Avalon" het vaakst gebruikt. Deze gitaar is wederom gemaakt van massief berkenhout, heeft een hals in populier, en is afgewerkt in donkerbruine "mahonie" sunburst. De rozet met verguld bloemmotief is te vinden op veel instrumenten van Oscar Schmidt, die als een van de eersten gekleurde "decalcomanies" gebruikte. Het glanzende zilveren oppervlak van de toets is dof geworden door urenlang stevig spelen.
|
"Supertone" gitaar gemaakt door Harmony voor Sears and Roebuck, Chicago, ca. 1930.
|
Van 1916 tot 1940 was "Sears, Roebuck en Co." uit Chicago, toen het grootste postorderbedrijf ter wereld, eigenaar van Harmony, een van de meest productieve instrumentenfabrieken in de Verenigde Staten. Sears had "Supertone" gekozen als merknaam voor hun snaarinstrumenten. Toen Sears Harmony doorverkocht aan de leidinggevenden van Harmony zelf, begonnen ze in plaats daarvan de naam "Silvertone" te gebruiken. De zwarte Supertone in de tentoonstelling is gemaakt van goedkoop hout, maar hij schittert door de oosterse en florale patronen en het schaakbordpatroon rond het klankgat en de randen. De grijze parelmoeren toets verhoogt het dramatische effect.
|
Silvertone model "1454", gemaakt door Harmony voor Sears and Roebuck, Chicago 1964.
|
Zelfs na 1945 bleven de grote fabrieken in Chicago de belangrijkste leveranciers van budgetgitaren. Harmony had een grotere capaciteit dan alle anderen samen, met ongeveer duizend gitaren per dag op hun hoogtepunt in de jaren zestig. Zoals men kan lezen in de Sears-catalogi van 1962 tot 1967, was hun Silvertone model 1454, gemaakt door Harmony, een topgitaar. Meerdere inlegstrips volgen de contouren van de archtop-body in hoogwaardige gelamineerde esdoorn en de zijkanten van de vastgeschroefde esdoornhals met palissander toets. Met zijn aparte Waverly-stemknoppen en zijn echte Bigsby-staartstuk is het een luxueuze gitaar om in een groothandelscatalogus te verschijnen. Het is een instrument met een eigen klank en voorzien van een breed geluidenpalet. De drie schakelaars maken zeven mogelijke combinaties van DeArmond-pickups mogelijk. De "1454" wordt beschouwd als een garageband-klassieker. Omdat ze tot de beste gitaren behoorde die Harmony ooit heeft gemaakt, was ze te vinden in de handen van spelers als Dan Auerbach van de Black Keys, Jack White van de White Stripes en James Iha van de Smashing Pumpkins.
|
Kay "Old Kraftsman" Model "K 161", bijgenaamd "Thin Twin", gemaakt voor groothandel Montgomery Ward, ca. 1954.
|
Na Harmony was Kay de belangrijkste producent in de Verenigde Staten. Hun model "K 161" werd bekend dank zij grote namen in de blues als Howlin' Wolf en Jimmy Reed. De K 161 was ongetwijfeld de bekendste en meest succesvolle elektrische Kay uit de jaren 50, gelanceerd in 1951 en geproduceerd tot 1959. In Kay-catalogi werd hij de "Thin Twin" genoemd, verwijzend naar de twee Thin-blade pickups, eigenlijk grote single-coil elementen gedeeltelijk verborgen onder de slagplaat, waarbij alleen de bovenkant zichtbaar is. Deze pickups zijn voor een groot deel verantwoordelijk voor het kenmerkende solide geluid van de K161, maar de houten constructie doet de rest. De holle body is voorzien van twee redelijk stevige parallelle houten balkjes die door het midden onder de pickups lopen, waardoor feedback wordt verminderd en voor sustain wordt gezorgd. Ruim zes jaar na Kay zal Gibson een vergelijkbare inwendige structuur gebruiken voor zijn succesmodel: de "ES 335". De hier gepresenteerde "Old Kraftsman"-versie – gemaakt voor groothandel Spiegel – was minstens zo luxueus als de Kay-versie zelf: een gevlamde esdoorn body, mahonie zijkanten en een vlak vuren bovenblad, een palissander brug en Kluson Deluxe stemmechanieken. De imitatie schildpad slagplaat dient als basis voor de driewegkeuzeschakelaar en de vier potentiometers.
|
Catalogi van "mailorder" bedrijven.
|
Bijna alles kon worden besteld via de catalogi van "wholesalers" als Sears en Montgomery Ward: kleding, huishoudelijke apparaten, wapens en ook... muziekinstrumenten. Ook na de Tweede Wereldoorlog hadden bedrijven als Harmony, met zijn produktie van een 1.000-tal gitaren per dag, en in mindere mate Kay, Danelectro, Valco en Regal, een stabiele afzetmarkt voor hun betaalbare instrumenten. Groothandelaars bedachten bijzondere namen om hun instrumenten op de markt te brengen. Dus Kay, Harmony, Danelectro en andere gitaren kregen allemaal de merknaam "Silvertone" wanneer ze in de Sears-catalogus verschenen, of "Airline" als de verdeler Montgomery Ward was, enzovoort. Kay verkocht bijvoorbeeld gitaren onder eigen merk én onder de merknamen "Silvertone" voor Sears, "Sherwood" en "Airline" voor Montgomery Wards, "Old Kraftsman" voor Spiegel, "Custom Kraft" voor St. Louis Music, "Truetone" voor Western Auto, "Penncrest" voor JC Penney , enz. Dit fenomeen, hoe verwarrend het ook mag zijn, verklaart waarom bepaalde merken oververtegenwoordigd zijn in deze collectie, vergeleken met andere bekendere merken, zoals Fender, Gibson, Gretsch...
|
4. De andere actoren op de markt
|
Andere Sears-leveranciers buiten Chicago waren onder meer Danelectro en later het Japanse Teisco. Mosrite-gitaren uit Californië waren dan weer populair in Japan, en de Amerikaanse aanwezigheid in Duitsland na de Tweede Wereldoorlog deed de vraag naar elektrische gitaren in Europa toenemen.
|
“Silvertone” amp-in-case model “1457” door Danelectro, Neptune ca. 1964.
|
De "amp-in-case"-modellen van Silvertone uit de jaren zestig zijn tegenwoordig vaak gewild bij verzamelaars. Vóór de lancering van het model "1457" in 1964 had Danelectro via Sears al gitaren verkocht met versterkers in de koffer ingebouwd, namelijk de "1448" en de "1449" . De "1457" was echter het topmodel. met een Redburst elektrische gitaar met twee elementen en "sprankelende zilverkleurige accenten". Er zat een pedaal en een snoer bij. De ingebouwde versterker met 3 lampen en een 8-inch (20 cm.) luidspreker had draaiknoppen voor volume en toon, en voor intensiteit en snelheid van het tremolo-effect. Het geheel woog ongeveer 14 kilogram. Dit soort Silvertones verschijnen vaak op zolders in de Verenigde Staten en blijkt erg bruikbaar, vooral voor bluesy klanken. Rond 2005 gebruikte Mick Jagger een gitaar uit een "1457"-set tijdens Rolling Stones-concerten.
|
Silvertone amp-in-guitar model “1487” door Teisco, Japan ca. 1965.
|
Deze solid-state gitaar is eigenlijk de Sears-versie van het "TRG-1" model van het Japanse Teisco, geïntroduceerd in 1964. Het was de eerste gitaar met een geïntegreerde versterker en luidspreker. Van dit opmerkelijk gitaarmodel bestaan meerdere versies. De hier getoonde "Silvertone"-versie uit 1964 heeft een asymmetrische body, een vierkante kop in "bizarro" Strat-stijl, en rechthoekige inlegstukken nabij de rand van de toets. Het grootste deel van de voorkant van de gitaar is bedekt met een grote metalen slagplaat, met daarop een tweekleurige hals-pickup en een kleine uitschuifbare aan/uit-schakelaar voor de versterker. In de uit-positie speelt de gitaar als een normale elektrische gitaar via een externe versterker. Er werden horizontale sleuven in de slagplaat uitgespaard, waarachter zich een 3-inch (8 cm.) luidsprekertje bevond. De versterker werkt op twee 9 volt-batterijen die achterin kunnen aangebracht worden. De TRG-1 is een geweldige gitaar en elke serieuze elektrische verzamelaar zou er een moeten hebben.
|
Mosrite "Mark IX", Jonas Ridge (NC) 1992. |
Het bedrijf "Mosrite" werd al in 1952 opgericht door Semie Moseley in Bakersfield, Californië. Zijn gitaren, waaronder de hier getoonde, stonden bekend om hun innovatieve ontwerp, prachtige techniek en krachtige pickups. De "Vibramute" tremolo is veel beter dan het Bigsby-systeem dat veel bedrijven destijds, en nu nog gebruiken. Mosrite-gitaren waren populair in Japan. Dat is geen toeval want de Ventures en later de Ramones, groepen die hun grootste successen boekten in Japan, speelden allemaal op Mosrites. Hun populariteit bleef daar erg groot en veel makers haalden hun inspiratie bij deze gitaren. Moseley's "Ventures" gitaar wordt algemeen beschouwd als het vlaggenschip van het bedrijf en deze Mark IX uit 1992, een van de laatste Mosrites ooit gemaakt, is er vrijwel identiek aan. Mosrite-gitaren zijn duur en zeldzaam, en de kwaliteit van de originelen is altijd zeer hoog gebleven.
|
Framus Americana, model “5/136”, Bubenreuth ca. 1960.
|
De Amerikaanse aanwezigheid in Duitsland deed de vraag naar gitaren toenemen. Duitse bedrijven als Höfner en Framus gingen kort na de oorlog over tot de produktie van gitaren en deden goede zaken, ook in Groot-Brittannië, met de Beatles als hun belangrijkste vertegenwoordigers. Het bedrijf Framus werd in 1946 opgericht in Erlangen in West-Duitsland. Al snel verhuisde de fabriek naar het nabijgelegen Bubenreuth en legde zich toe op de produktie van gitaren. De "Americana", geproduceerd tussen 1958 en het midden van de jaren zestig, is een zeldzame vogel die niet eens voorkomt in de originele Framus-catalogi. Deze lichtgewicht archtop heeft een vrij kleine body, vergelijkbaar met die van de Gibson "Les Paul. Door het gebruik van vurenhout en esdoorn voor het boven- en achterblad lijkt het instrument sterk op de "Club"-modellen van Höfner, Framus' naaste concurrent in Duitsland. Daardoor, en ook door het "S"-vormige klankgat illustreert het de vioolbouwtraditie waar deze gitaren uit voort zijn gekomen. De mahoniehouten hals is voorzien van de typische Framus "trussrod cover". De zwarte zwevende metalen slagplaat met twee pickups produceert een warm, vet vintage geluid.
|
1. Mario Maccaferri
|
De Italiaan Mario Maccaferri staat bekend om zijn typische gypsy-swinggitaar, ontworpen in 1923 voor de instrumentengroothandel Selmer in Parijs en uitverkoren door gitarist Django Reinhardt. Minder bekend zijn Maccaferri's latere activiteiten als uitvinder en zakenman met een voorliefde voor plastic.
|
Maccaferri gitaar model "G30", New York 1953.
|
In 1953 introduceerde Maccaferri een archtopgitaar, het G40-model, gemaakt van het soort plastic waar hij altijd de voorkeur aan had gegeven: Dow Styron. Hoewel de G40 op het eerste gezicht een speelgoedgitaar lijkt, beschouwt de maker ze als volwaardig. Andres Segovia, de grote meester van de klassieke gitaar, maakte er zelfs reclame voor. De contouren van de body en de kop zijn gekopieerd van Mario's succesvolle ontwerp voor Selmer, evenals de brug en het staartstuk. De G40 werd al snel gevolgd door een flattop-versie, de G30. Net als zijn voorganger had deze een crèmekleurige bovenkant en een gemarmerde onderkant. De vereenvoudiging van de brug en het staartstuk was bedoeld om de prijs te verlagen, maar uiteindelijk verkochten noch de G30, noch de G40 goed. Niettemin zijn deze instrumenten vanwege hun originele ontwerp en materialen, evenals hun belang voor de geschiedenis van de gitaar, te vinden in belangrijke musea zoals het Metropolitan Museum in New York en het Museum of Fine Arts in Boston.
|
Maccaferri model "G30" ter demonstratie, New York 1953.
|
Maccaferri had zijn fortuin verdiend tijdens de Tweede Wereldoorlog met de verkoop van plastic wasknijpers en ander keukengerei. Tegen het einde van de oorlog was hij begonnen met het maken van plastic rieten voor blaasinstrumenten, en daarna gebruikte hij dit nieuwe materiaal om gebruiksvoorwerpen zoals intercomapparatuur te produceren, maar ook gitaren, violen en andere instrumenten. Tussen 1949 en 1969 verkocht hij meer dan 9 miljoen plastic ukeleles.
De G30 was niet als speelgoedgitaar bedoeld. Maccaferri's betrachting om fatsoenlijke plastic gitaren te maken wordt duidelijk als je naar de constructie kijkt. De G30 en G40 waren uitgerust met stemmechanieken, de bebalking van het bovenblad was van hout en de snaarhoogte was instelbaar met behulp van een bout door het aluminium verlengstuk van de hals. En toch kon zelfs het gebruik van hout en aluminium niet voorkomen dat deze plastic instrumenten na verloop van tijd barsten en soms onbruikbaar werden. Maccaferri gaf het idee echter niet gemakkelijk op en bracht in 1989 opnieuw trots, maar nog steeds zonder succes, een plastic viool uit. |
2. Leo fender
|
Leo Fender was bovenal een goede ondernemer die bestaande ideeën uitwerkte en op het juiste moment op de markt bracht. Als radiohersteller in de jaren dertig had hij Hawaiiaanse-gitaar spelers als klant die klaagden over gebreken aan hun instrumenten. Hij begon dan maar zelf elektrische lap-steels te bouwen. Van het één kwam het ander: met de Esquire uit 1950, later omgedoopt tot Telecaster, de Precision Bass uit 1951 en de Stratocaster uit 1954, bepaalde hij voor een groot deel het geluid van de popmuziek.
|
Fender “Stratocaster”, Fullerton, 1954.
|
In 1949 had Leo Fender het prototype gemaakt van zijn "Esquire", later omgedoopt tot Telecaster, met een massief houten "klankkast". Het idee was niet nieuw. Hawaiiaanse elektrische gitaren hebben bijna altijd een massief corpus gehad en "solid body Spanish guitars" zoals ze werden genoemd, werden al sinds de jaren 1930 gemaakt door Rickenbacker en anderen. Fender heeft een betrouwbaar en toch betaalbaar instrument gecreëerd door goede materialen te gebruiken, zoals esdoorn voor de hals en "swamp ash" (moeras essen) voor de body. Hij bereikte dit ook door traditionele produktieprocessen te vereenvoudigen: vlakke bodies met afgeronde contouren, waar de hals, met een kop die niet naar achter helde, simpelweg aan vastgeschroefd was. De Stratocaster die hij in 1954 ontwikkelde, zou de elegantere en technisch verbeterde versie van de Telecaster worden, met een ergonomische vorm, een vibrato-kam en drie pickups. De elektronika werd geüpgraded en bood schier onbeperkte klankkeuzes, en de tweekleurige sunburst-afwerking gaf het instrument een klassiek uiterlijk. Gitaristen Buddy Holly, Carl Perkins, Ike Turner en Hank Marvin droegen bij aan het succes van deze iconische gitaar.
|
Recente kopie van een Fender “Precision Bass” uit 1957.
|
De Precision Bass is ontwikkeld als compact alternatief voor de contrabas, die Fender ironisch genoeg het "hondenhok" noemde. Deze elektrische bas is geen uitvinding van Fender zelf, maar een concept gebaseerd op een idee van uitvinder Paul Tutmark uit 1937. Het eerste commerciële exemplaar van de Precision Bass werd geproduceerd in oktober 1951. Deze had een essen "slab" (niet geprofileerde) body zoals de Telecaster, met twee "hoorns" die een betere balans boden en later ook werden toegepast op de Stratocaster, een esdoornhals uit één stuk die met vier schroeven aan de body was bevestigd, een enkele pickup en een tweedelige kam. Aanvankelijk leende de "Precision"verschillende kenmerken van de Telecaster, waaronder de vorm van de kop en slagplaat, de plaatsing van de potentiometers, de twee verchroomde bedieningsknoppen, de uitgangsaansluiting en de riemknoppen. Later neigden de ergonomische vorm van de zijkanten van de body, de contouren van de slagplaat en de kop naar het Stratocaster-ontwerp. Een van de belangrijkste kenmerken van de Precision Bass was de mensuurlengte, die Leo Fender, na zorgvuldige overweging en uitgebreide experimenten, op 34 inch (86 cm.) bracht.
|
|
Vernieuwing in de bouw van gitaren, mandolines en banjo's |
De successen van Gibson vóór de Tweede Wereldoorlog waren gebaseerd op de uitvindingen van Orville Gibson zelf en medewerkers zoals ontwerper Lloyd Loar. De innovaties hadden niet alleen betrekking op de gitaar, maar ook op de mandoline en de banjo. Gibson bleef gedurende het interbellum een leider op het gebied van snaarinstrumentenbouw. Voor de gitaar en de mandoline werd de inspiratie vooral gehaald uit de vioolbouw. Voor de banjo is een speciaal systeem ontwikkeld om het vel over de ringen te spannen en de resonator te bevestigen. Er zijn ook experimenten uitgevoerd op het gebied van elektrische versterking. Toonaangevende vooroorlogse jazzgitaristen zoals Charlie Christian gebruikten elektrische archtop-gitaren van Gibson.
|
Gibson Les Paul "Goldtop" model uit 1956 (replica), Kalamazoo ca. 2015. |
In zijn zoektocht naar een elektrische gitaar die geen feedback veroorzaakte, experimenteerde Lester Polsfuss, alias Les Paul, begin jaren veertig met zijn "Log": twee helften van een oude Epiphone bevestigd aan weerszijden van een massief middenstuk. Hij presenteerde zijn idee aan het management van Gibson, dat zich destijds vrolijk maakte over het concept en het prototype verwierp. Zes jaar later nam de gerespecteerde raad van bestuur toch het risico en begon met de produktie van een ‘solid body’. De nieuwe Fender "Telecaster" had intussen immers een storm veroorzaakt in de gitaarwereld, wat bewees dat de solide visie van Les Paul niet zo idioot was als Gibson aanvankelijk dacht. Als gevolg hiervan begon een Gibson-team datzelfde jaar 1951, te werken aan wat het "Les Paul"-model zou worden, met inbreng en goedkeuring van Les Paul zelf. Gibson wilde een instrument dat zijn reputatie als eersteklas instrumentenmaker waarmaakte. Een mahoniehouten body met één enkele uitsparing werd bedekt door een esdoorn "bovenblad" met een glanzende goudkleurige coating, vandaar de bijnaam "goldtop". De pickups waren van het type "P90" en het trapeziumvormige staartstuk was vergelijkbaar met dat van de Gibson hollowbodies uit die tijd. Dit staartstuk met geïntegreerde kam werd al snel vervangen door een "stoptail"-brug die in de body was geschroefd. Samen met Fender's Telecaster en Stratocaster was de "Les Paul" een van de eerste in massa geproduceerde solid-body elektrische gitaren. Sindsdien is de "Les Paul" in veel verschillende variaties te zien, en vanwege zijn veelzijdigheid werd en wordt dit model nu nog steeds gebruikt in een breed scala aan muziekgenres.
|
Een verzameling plectrums, 1925-1970.
|
Aan het einde van de negentiende eeuw werd het pantser van de zeeschildpad populairder dan vogelveren als materiaal voor gitaarplectrums. Het was echter zeldzaam, duur en het brak gemakkelijk. Tony D'Andrea en zijn vader Luigi ontdekten dat celluloid perfect was om schildpad te vervangen. Van de jaren twintig tot de jaren vijftig domineerde "D'Andrea Manufacturing" de internationale plectrum markt, leverde aan grote bedrijven als Gibson, Fender en Martin en ontwikkelde meer dan 50 vormen. Deze kregen nummers die nog steeds worden gebruikt. De “351” werd bijvoorbeeld geassocieerd met Nick Lucas, de zanger en gitarist uit het begin van de twintigste eeuw die het plectrum voor het eerst populair maakte. Vanaf de jaren 1950 werd het bijna-monopolie van D'Andrea gebroken en tegen het midden van de jaren 1960 werden duurzamere nylon plectrums vrijwel gelijktijdig ontwikkeld door Herco en een nieuwe speler op de markt: Jim Dunlop.
|
De darmsnaren worden door metalen snaren vervangen.
|
Aan het einde van de negentiende eeuw werden al metalen snaren op gitaren gebruikt. Staal bood een uniform, consistent materiaal dat tot zeer hoge spanning kon worden gebracht zonder te breken. Plotseling was de beperkende factor voor instrumenten niet langer de snaren, maar het instrument zelf. Het was nu nodig om haar constructie te versterken zodat het bestand werd tegen de nieuwe spanningen die door de stalen snaren werden veroorzaakt. Dit is trouwens de belangrijkste reden waarom Orville Gibson de archtop-gitaar ontwikkelde. In een Gibson-catalogus uit 1903 stond dat je moest specificeren of de gitaar die je bestelde zou worden gebruikt met stalen of darmsnaren. De nieuwe gitaren konden de druk van zware snaren weerstaan en een luidere klank produceren – zelfs zo luid dat ze konden wedijveren met de banjo’s en de blazers. Het proces werd versneld doordat de aanvoer van darmsnaren naar de Verenigde Staten tijdens de Eerste Wereldoorlog werd afgesneden. Nu moesten gitaarhalzen de hogere spanning weerstaan zonder na verloop van tijd krom te trekken. Thaddeus McHugh van de Gibson Guitar Company loste dit probleem in 1921 op door de verstelbare "truss rod" te ontwikkelen, een stalen staaf met schroefdraad die over de ganse lengte in de hals werd geplaatst om de snaarspanning tegen te gaan. Vervolgens begonnen snaarfabrikanten zich te concentreren op het samenstellen van snaarlegeringen die een langere levensduur en een beter geluid mogelijk maakten. Sommige daarvan werden speciaal ontwikkeld voor elektrische, andere voor akoestische gitaren. Vanaf dat moment verdrong de gitaar geleidelijk de banjo en de mandoline.
|
2. Jazzgitaren, 12-snarige gitaren en grotere klankkasten
|
Metalen snaren dwongen fabrikanten om nieuwe technieken te gebruiken om de hogere druk van de snaren op te vangen. Gewelfde bladen, grotere klankkasten en de verdubbeling van de snaren maken deel uit van dezelfde innovatieve trend om de gitaren luider te doen klinken.
|
Onafgewerkt onderblad uit de Gibson fabrieken, Kalamazoo ca. 1935.
|
Orville Gibson experimenteerde sinds de eeuwwisseling met gewelfde boven- en onderbladen die uit de massa waren gesneden. Zijn opvolgers in de Gibson-fabrieken pasten nog meer elementen uit de vioolbouw toe op de gitaar en de mandoline: losse kammen, aparte staartstukken en f-vormige klankgaten. Dit zou leiden tot de ontwikkeling van de typische jazzgitaar, hoewel deze in verschillende muziekgenres zouden worden gebruikt: country, blues, gypsy-swing enz. Het belangrijkste voordeel van de archtopgitaar was het grotere geluidsvolume.
|
George Houghton Model "Reliance", Birmingham ca. 1930.
|
De Gibson Company bracht in de jaren 1920 en 1930 een aantal succesvolle archtopmodellen uit, zoals de "L5" en "L50". Al snel werden deze gekopieerd door andere fabrikanten in de Verenigde Staten en daarbuiten. Deze Britse gitaar is duidelijk geïnspireerd op de goedkopere "L30"- en "L37"-modellen van Gibson, en illustreert het succes van jazzgitaren buiten de Verenigde Staten. Hoewel minder goed afgewerkt dan het originele model, was ze toch een interessant alternatief voor een gitarist die zich geen echte Gibson kon veroorloven. George Houghton richtte zijn bouwersatelier op in Birmingham in 1888. Zijn goedkope, vrij degelijke banjo's en gitaren, tussen 1933 en 1956 verdeeld onder de merknaam "Reliance", verkochten goed, en dus al snel werd zijn fabriek uitgebreid en de naam veranderd in "G. Houghton & Sons". Zij boden een lijst met instrumenten aan die meerdere detailhandelaars en groothandelaren gebruikten om hun eigen catalogi samen te stelden. In 1962 besloot George Houghton junior de deuren te sluiten.
|
12-snarige Oscar Schmidt gitaar, Chicago ca. 1930.
|
Grotere klankkasten en een verdubbeling van de snaren zorgden ook voor een voller geluid. Hier zien we de twee fenomenen samengebracht in één gitaar. Al aan het einde van de negentiende eeuw leidden experimenten tot de komst van de twaalfsnarige gitaar, maar pas in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw kozen veel bluesmannen voor dit type gitaar. De bekendste bespeler van dit instrument was blueszanger Huddie William Ledbetter (1888-1949), beter bekend als "Leadbelly". Verschillende bands hebben zijn werk gecoverd, waaronder Creedence Clearwater Revival en Nirvana. Intussen worden "twelve strings" ook in de popmuziek regelmatig gebruikt.
|
"Tricone" resonator met drie kleine conussen.
|
Een paar mannen die enkele jaren later ook koploper op het gebied van de elektrische gitaar zouden worden, werkten voordien al mee aan de creatie van de resonatorgitaar, namelijk George Beauchamp en Adolph Rickenbacher (later als merknaam "Rickenbacker" gespeld). Gitarist George Beauchamp, die moeite had om gehoord te worden bij optredens, legde contact met John Dopyera, een Tsjechische immigrant, om in Los Angeles samen te werken aan manieren om Hawaiiaanse gitaren luider te laten klinken. Het resultaat was de "Tricone" die in 1927 werd geïntroduceerd. Rickenbacher, die niet ver van Dopyera af woonde en eigenaar was van een van de grootste diepdrukpersen aan de westkust, hielp bij het maken van metalen klankkasten voor National-gitaren. De body bevatte drie conische aluminium resonatoren, verbonden door een T-vormige aluminium staafje dat de kam ondersteunde. De toon is complex, zacht en klinkt lang na.
|
Resonatorgitaar met"spider" conus, meestal geassocieerd met de merknaam "Dobro".
|
In 1928 verliet Dopyera "National" om samen met zijn vier broers de "Dobro Manufacturing Company" op te richten, waarbij "Dobro" een verkorting is van "Dopyera". Ze brachten een concurrerende resonatorgitaar uit met een enkele resonator met concaaf oppervlak, vaak omschreven als "spider cone". Daarop was immers een aluminium raster met acht "poten" gemonteerd waarop in het midden de kam rustte. Dit systeem was goedkoper bij produktie en genereerde meer geluidsvolume dan de tricone van National. Na verloop van tijd werd het woord "dobro" een algemene benaming die werd gebruikt om naar resonatorgitaren in het algemeen te verwijzen. De bodies zijn meestal gemaakt van hout. Het materiaal van de klankkast en het resonatortype beïnvloeden de klank, maar de hals is nog belangrijker. Je hebt twee hoofdkeuzes: instrumenten met ronde hals, ontworpen om te worden bespeeld als conventionele gitaren, en modellen met vierkante hals die worden bespeeld als een lap steel. Dobro's worden het meest gebruikt voor bluegrass. Ze zijn bestand tegen hoge snaarspanningen, waardoor er echt dikke snaren kunnen worden gebruikt. Het geluid is luid, zoet en zangerig, met een goede projectie en een gerichte toon.
|
Resonatorgitaar met "biscuit" conus, meestal geassocieerd met de merknaam "National".
|
National beantwoordde de Dobro met zijn eigen model met één resonator, dat Dopyera zelf nog had ontworpen voordat hij het bedrijf verliet. Ze bleven ook het tricone-model produceren, waar veel spelers de voorkeur aan gaven vanwege de toon. De nieuwere modellen met één enkele resonator hadden een houten "koekje" aan de bovenkant van de conus om de kam in te bevestigen. Op dat moment kochten beide bedrijven veel aluminium componenten van Adolph Rickenbacher, waaronder de conische resonatorplaten. Single cone-gitaren met een "biscuit"-kam waren vooral populair bij bluesgitaristen, vooral de modellen met metalen body. Na talloze juridische acties namen de gebroeders Dopyera in 1932 de controle over National en Dobro over en voegden beide bedrijven vervolgens samen in de "National Dobro Corporation". Ze stopten echter alle produktie van resonatorgitaren nadat de Verenigde Staten in 1941 in de Tweede Wereldoorlog betrokken raakte.
|
4. De eerste elektrische gitaren en versterkers
|
De elektrische gitaar kon pas echt een plaats in de muziekwereld veroveren nadat versterkers waren ontworpen die voldoende geluid konden produceren. Met ander woorden, de ontwikkeling van de eerste commerciële elektrische gitaren was pas mogelijk toen de versterkers voldoende efficiënt waren geworden.
|
Maquette van een Keystone filmprojector uit de jaren 1930.
|
In de jaren 1920 was het voor een gitarist met een microfoon erg moeilijk om een versterker en luidspreker te vinden om zijn instrument luider te maken. Vroege versterkers konden alleen worden aangedreven door grote, zware batterijen. Het frequentiebereik van de luidsprekers was beperkt en het geluidsvermogen was laag. Eind jaren twintig ontwikkelden ingenieurs de eerste versterkers op netvoeding toen de gesproken film werd geboren. Maar geluidssystemen voor grote bioscoopzalen waren erg omvangrijk en erg duur. Na 1927 kwamen er kleinere, draagbare geluidssystemen op netstroom die op een gewoon stopcontact konden worden aangesloten. Deze “Public Address” (PA)-systemen werden al snel populair bij muzikanten. Het duurde niet lang voordat de eerste echte gitaarversterkers werden vervaardigd, waardoor het haalbaar werd om de elektrische gitaar een stabiele plaats op de markt te geven.
|
Stromberg-Voisinet “faux-resonator”, Chicago, ca. 1928.
|
Een intrigerende kop uit de krant "The Music Trades", gedateerd 20 oktober 1928, kondigde de lancering aan van de eerste gitaar met een elektrisch element. In tegenstelling tot eerdere uitvindingen werden de Stromberg-Voisinet-instrumenten ontwikkeld tot een commercieel product dat voor het grote publiek op de markt werd gebracht. De pickup werd geïntegreerd in een faux-resonatorgitaar zoals die in de tentoonstelling, gemaakt door Kay-voorloper Stromberg-Voisinet. In de catalogus uit 1929 staat: "Het geluid van deze instrumenten wordt verschillende keren versterkt, dankzij een magnetische sensor die in het instrument is ingebouwd en die trillingen rechtstreeks van de zangbodem opvangt". Het was geen succes. De versterker had een laag uitgangsvolume en het toonbereik van de hoorns, vergeleken met moderne luidsprekers, was beperkt. Bovendien waren deze eerste eenheden zwaar, duur en soms zelfs levensgevaarlijk.
|
Parlourgitaar met elektromagnetische "pickup", vermoedelijk een prototype van Oscar Schmidt, Chicago ca. 1934.
|
Trager dan de concurrentie waagde Oscar Schmidt schoorvoetend een stapje in de elektrische gitaarwereld. Bij dit halfslachtige experiment werd een gewone gitaar met platte bovenkant uitgerust met een hoefijzervormige-pickup die sterk leek op de "horseshoe" ontwikkeld door Beauchamp en Rickenbacher. Ook dit bleek geen succes, vooral omdat fabrikanten als Gibson en National al snel hoogwaardige elektrische archtop-gitaren op de markt brachten. De Gibson ES-150, geïntroduceerd in 1936, wordt algemeen erkend als de eerste commercieel succesvolle elektrische gitaar in "Spaanse" stijl, dit wil zeggen met een rond halsprofiel. Vanaf het begin werd hij populair bij vooraanstaande jazzgitaristen als Charlie Christian, die daardoor zijn bekendheid verspreidde.
|
5. De elektrische gitaar is volwassen geworden
|
In de jaren vijftig, na de experimenten van Gibson, Fender en anderen, brak de elektrische gitaar echt door bij het grote publiek en verliet deze positie nooit meer. Grote sterren fungeren eind jaren 1960 als rolmodel op grote festivals en concerten en hun voorbeeld wordt enthousiast gevolgd.
|
De anatomie en de werking van de elektrische gitaar: plexi "Fender" gitaar en versterker. |
De belangrijkste onderdelen van de gitaar:
-De kop bevat de stemmechanieken en snaargeleiders. -Met de stemmechanieken kunt u de spanning van een snaar aanpassen om de gewenste stemming te verkrijgen. -Snaargeleiders verbeteren de stemstabiliteit door de snaren naar de stemsleutels te geleiden en te positioneren. -Het halsbruggetje, ook topkam genoemd, houdt de gitaarsnaren op hun plaats en geleid ze naar de toets. Het bepaalt mee de hoogte van de snaren ten opzichte van de toets. -De hals is een lang stuk hout dat de kop van de gitaar met de body verbindt. -De toets is een lang en dun stuk hout dat op de hals wordt gelijmd en waarop de frets en referentiepunten zijn ingebracht. Het is daarop dat de vingers van de gitarist rusten als hij speelt. -De "truss rod" of verstelstang is een stalen staaf die in de lengte in de hals is ingewerkt en wordt gebruikt om de kromming van de hals aan te passen. -De body van een elektrische gitaar kan een zeer groot aantal vormen aannemen. Elektrische gitaren produceren hun scala aan tonen immers vooral via de microfoons en een versterker. -De slagplaat, plectrumplaat of "pickguard" is simpelweg de plaat die de body van de gitaar beschermt tegen vingernagels en plectrums en waarop de microfoons, potentiometers en pickup-selector zijn bevestigd. De elektrische pickup of het elektrisch element zet de trillingen van de metalen snaren om in een elektrisch signaal. De versterker komt dan tussenbeide om het elektrische signaal te versterken voordat het weer in trillingen wordt omgezet door de luidspreker. -Met de pickup-selector kunt u de verschillende pickups afzonderlijk bedienen of combineren voor een verscheidenheid aan klanken. -Potentiometers zijn instelknoppen die het volume of de toon van het instrument kunnen wijzigen. -De brug bepaalt samen met de topkam de totale lengte van de trillende snaren -Sommige elektrische gitaren hebben een vibrato-arm waarmee de spanning kan worden aangepast, zodat de toonhoogte van de noten kan variëren. - Met de riemknoppen kunt u een draagriem aan de gitaar vastmaken. |
Guitar heroes.
|
Rond 1950 werd, zoals eerder uitgebreid werd besproken, de "solid body" gitaar op de markt gebracht door Fender en Gibson. Feedback, geluidslussen die ontstaan doordat luidsprekertrillingen via de microfoon van de gitaar weer worden versterkt, worden grotendeels geneutraliseerd door de solide klankkast. Deze elektrische gitaren met volle klankkasten zullen de jaren erna populair worden bij het grote publiek. Gitaarhelden als Jimi Hendrickx en Eric Clapton droegen bij aan deze evolutie.
|
Rickenbacker model “325”, replica, ca. 1995.
|
Aan het begin van de jaren 1960 raakte de geschiedenis van de Rickenbackers voor altijd verbonden met de Beatles, die verschillende gitaarmodellen van deze fabrikant gebruikten. Deze liefdesrelatie begon in 1959, toen John Lennon jazzgitarist Jean "Toots" Thielemans op een Rickenbacker zag spelen. Het jaar daarop kocht Lennon in Hamburg een "natural blond model 325" met een vibrato. Begin 1964 voorzag de Rickenbacker vertegenwoordiger hem van een nieuwe "325", verbeter met Lennon in gedachten. Lennons nieuwe 325 was zwart geverfd met een witte dubbellaagse slagplaat, een extra potentiometer voor de balans tussen de puckups, een verbeterde "Ac'cent" vibrato en een slankere semi-holle Jetglo body met een volhouten bovenblad en een korte mensuur van 20,75 inch (53 cm.). Lennon adopteerde deze gitaar al snel als zijn belangrijkste instrument. Op een gegeven moment boog hij de vibrato-arm, waarschijnlijk omdat deze hem hinderde. Toen dit model in produktie ging, werd het verkocht voor ongeveer 400 Britse ponden. Tegenwoordig haalt een "325 Jetglo" uit 1964 gemiddeld 20.000 euro.
|
Höfner model “500/1”, Bubenreuth 1964.
|
Hoewel de Beatles ook Amerikaanse gitaren bespeelden, waaronder Rickenbacker en Epiphone, gebruikten ze vooral in het begin van hun carrière graag Europese instrumenten. Paul McCartney wordt nog steeds geassocieerd met zijn Höfner vioolbas. McCartney kocht zijn eerste Hofner "500/1" omdat deze goedkoop was, destijds bijna 200 dollar minder dan een Fender-bas. Al snel ontdekte hij de voordelen van het instrument: het was licht, gemakkelijk te bespelen, klonk goed en zag er goed uit, zelfs als het ondersteboven werd gehouden, zoals hij deed als linkshandige speler. Om marketing-redenen werd het model "500/1", ontworpen in 1955, oorspronkelijk een "violin bass" genoemd. De body lijkt echter meer op een viola d'amore zonder klankgaten vanwege de lage zijwanden, rechte hoeken en aflopende schouders. Hoe dan ook, het is gebouwd met hout en constructiemethoden die dicht bij die van de vioolbouwers bij Höfner en elders liggen. Het instrument was bedoeld voor contrabassisten die op zoek waren naar een draagbaarder instrument. Het is inderdaad heel licht en gemakkelijk te bespelen, dankzij de korte mensuur, de holle lichaamsconstructie en de kenmerken die vergelijkbaar zijn met die van een contrabas. Wanneer diepe, stuwende bassen gewenst zijn, is de iconische "500/1" een goede keuze.
|